Verslag Dag van de Programmator

Op vrijdag 2 september konden programmatoren, verkoopbureaus voor podiumkunsten en andere geïnteresseerden de Dag van de Programmator bijwonen, georganiseerd door Kunstenpunt, Dutch Culture, deBuren en de Brakke Grond. De centrale vraag: hoe zit het met de spreiding en presentatie van podiumkunst in Vlaanderen en Nederland? – Eva Decaesstecker

Dag van de Programmator (c) Eva Decaestecker

(c) Eva Decaestecker

Alles begon met de quote van Wouter Hillaert tijdens de Nederlandse Dag van de Programmering in 2015: “Ik heb geen grote theorieën over Groot-Nederland, maar ik zie veel mooie voorstellingen in Vlaanderen en snap niet dat deze amper in Nederland te zien zijn.” En ook omgekeerd geldt deze indruk. Tijd om na te gaan hoe de vork aan de steel zit en vooral: wat hieraan kan veranderd worden.

Cijfers

Om indrukken en verzuchtingen te staven, werd eerst cijfermateriaal bovengehaald. Joris Janssens (Kunstenpunt) en Yvette Gielens (Dutch Culture) trokken enkele vaststellingen uit de feiten. 

Allereerst blijkt dat er steeds meer Vlaamse en Nederlandse producties in het buitenland toeren. Nederlandse voorstellingen spelen wereldwijd in 85 landen, Vlaamse producties bereikten 75 landen. De buurlanden blijven de belangrijkste afnemers: Frankrijk, Duitsland, Vlaanderen (voor Nederland) en Nederland (voor Vlaanderen). Al lijkt dit laatste steeds minder evident te worden. Uit cijfers blijkt dat Nederlandse gezelschappen steeds
minder onze landsgrenzen oversteken. In Nederland zelf spelen er de laatste jaren dan weer meer Vlaamse producties in het totaal, maar elke productie afzonderlijk speelt zo weinig dat je niet meer echt van ‘tournees’ in Nederland kan spreken. Verder is de spreiding van werk over de Belgisch-Nederlandse landsgrens heen ook sterk bepaald door het genre.
Nederlands en Vlaams danswerk zoekt eerder andere oorden op dan bij elkaar op bezoek te gaan. Bij andere genres zoals kinder- en jeugdtheater vinden makers weer wel makkelijker de weg over de grens. 

Een belangrijke bedenking in het onderzoek draait rond de nationaliteit van het werk. De cijfers worden scheef getrokken doordat 99 producties zowel in de Nederlandse als in de Vlaamse datasets opgenomen zijn. In deze vage zone zitten namen als Jan Martens, Dood Paard, BOG. of Toneelgroep Amsterdam. Het gaat dan bijvoorbeeld over Vlaams-Nederlandse coproducties of Nederlanders in Vlaamse gezelschappen. Ondanks het (vooral
institutioneel) uiteengroeien van beide landen, werken Vlaamse en Nederlandse
theatermakers toch weer vaker samen dan vroeger.

Er heerst in beide landen in ieder geval een grote druk op de spreiding: het wordt steeds moeilijker om werk gespreid te krijgen, om langere tournees uit te stippelen en om publiek te vinden. Ook de economische en financiële druk weegt door op de functie van de programmator. Zou dat dan de reden zijn waarom programmatoren eerder voor binnenlands werk kiezen? Terwijl makers de oversteek in hun samenwerkingen net
doodnormaal lijken te vinden?

Panelgesprek

Na de cijfers maken Nederlandse en Vlaamse programmatoren in een panelgesprek
een stand van zaken op. Ook zij kunnen niet altijd aanduiden wat precies Nederlands werk is en wat Vlaams.

De Vlaming Lucas De Man (Het Zuidelijke Toneel) krijgt Nederlandse subsidies. In welk vakje plaats je hem dan? Toch is het aantal voorstellingen van de noorder- of zuiderburen bij alle vier de theaterhuizen over het algemeen vrij laag.

Is Vlaanderen dan minder belangrijk geworden voor Nederlandse gezelschappen en omgekeerd? Het tijdstekort is alvast een bekend argument: programmatoren hebben het al zo moeilijk om alles in eigen land gezien te krijgen, laat staan dat ze dan ook nog eens veel kunnen prospecteren bij hun buren. Vooral als de gezelschappen uit beide landen zo veel kwaliteit leveren. 

Voor veel schouwburgen in Nederland is programmeren een economische keuze geworden. Het is eerder een extra “jobje” dat de schouwburgdirecteur erbij neemt. Echt geëngageerde programmatoren met een uitgesproken artistiek beleid zijn op één hand te tellen. Maar er waait wel een nieuwe wind door het Nederlandse podiumveld. Er komen meer jongere
artistieke leiders van gezelschappen die een ‘intendantenrol’ innemen in plaats van enkel zelf te regisseren. Dit opent gesprekken met andere jonge makers, die op een veel meer inhoudelijke manier gevoerd kunnen worden. Tegelijk is er ook een grote groep ‘grensgangers’: gezelschappen en makers die minder moeite hebben met het
oversteken van de Vlaams-Nederlandse landsgrens. En er worden ook plannen gesmeed om die spreiding over de grens heen te vergemakkelijken. Zo zit C-Mine samen met onder meer Veem House for Performance, STUK en Spring Dance in het informeel overleg FIRA, waarin gestreefd wordt naar een betere spreiding van dans over Nederland en Vlaanderen.

Vijf werktafels

Na het panelgesprek kon er naar hartenlust gebrainstormd worden over hoe de spreiding
en presentatie van podiumwerk in de Lage Landen beter kan. Alvast enkele spannende ideeën: “Wegens hun groot succes: nog meer spreidingsnetwerken!”, “Laat de nationaliteit van de artiest wegvallen in de communicatie van huizen!”, “Een artistieke programmering
over twee seizoenen spreiden in plaats van over één seizoen!”, “Laat programmatoren
zelf eens een artistiek project maken!” en “Maak Een handleiding voor het grote
enthousiasme van de programmator!” Benieuwd naar de toekomst…

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s